Brandveiligheid
2. Wetgevend kader
Inleiding

Foto van de brand in het INNO complex in Brussel op 22 mei 1967
Een van de belangrijkste obstakels in het toepassen van staal is de onoverzichtelijkheid van de wetgeving op het gebied van brandveiligheid en de onzekerheid over de kosten van maatregelen om tot een brandveilige staalconstructie te komen. Sinds de grote brand in de Innovation, zie figuur hieronder, is er in België sterke aandacht voor de brandveiligheid van gebouwen. Deze ramp kostte het leven aan meer dan 300 mensen en is daarmee de meest dramatische warenhuisbrand van Europa. Sindsdien is de wet- en regelgeving in België op het gebied van de brandveiligheid sterk aangescherpt. De eisen aan de brandveiligheid van gebouwen zijn wettelijk vastgelegd. Dit in tegenstelling tot andere belastinggevallen zoals sneeuw en storm, waarvoor de ontwerper de vrijheid heeft zijn of haar eigen inzicht te gebruiken om tot een veilig gebouw te komen. Dit betekent niet dat een ontwerper een ondeugdelijk gebouw mag maken, maar de kwaliteit van het ontwerp moet na een eventueel falen via het privaatrecht worden beoordeeld.
In België is de regelgeving ten aanzien van brandveiligheid verdeeld over meerdere bestuurslagen te weten:
- de Europese Unie
- de federale overheid;
- de gewestelijke overheden en de gemeenschappen;
- de gemeenten.
De provincies zijn op het gebied van de brandveiligheid van minder belang en worden verder niet behandeld. Ter illustratie is de globale verdeling van de bevoegdheden in figuur hieronder weergegeven.

Beknopt overzicht van de bevoegdheden voor brandveiligheid in België.
(Maekelberg, S.: 2006, Opleiding Brandveilig bouwen met staal - Presentatie Dag 1, Staalinfocentrum)
2.1. Europese regelgeving
De regelgeving moet aansluiten op de Europese bouwproductenrichtlijn van 1988, ook wel de CPD of Constructions Product Directive genoemd. Deze richtlijn heeft tot doel de wet- en regelgeving van de lidstaten te harmoniseren voor bouwproducten. De richtlijn staat daarmee in dienst van doel van het verdrag van Rome om vrij verkeer van diensten en producten te realiseren tussen de lidstaten van de Europese Unie.
De invoering van de CPD in België is op federaal niveau vastgelegd in een Koninklijk Besluit (KB) van 1998 dat is opgesteld door het Ministerie van Economische Zaken op basis van de wet van 1996 tot uitvoering van de CPD.
In de CPD zijn zes fundamentele voorschriften geformuleerd waaraan bouwproducten moeten voldoen, afhankelijk van hun toepassing. Deze zijn:
- mechanische sterkte en stabiliteit
- brandveiligheid
- hygiëne, gezondheid en milieu
- gebruiksveiligheid
- geluidshinder
- energiebesparing en warmtebehoud
Deze fundamentele voorschriften zijn de basis om bouwproducten te klasseren. Lidstaten van de EU mogen enkel deze klassen gebruiken om de prestaties van bouwproducten te beoordelen zodat nieuwkomers op de markt niet op oneigenlijke wijze kunnen worden geweerd. Een lidstaat mag dus geen prestatie eisen, die niet met een geharmoniseerde Europese bepalingmethode kan worden aangetoond. Ook kunnen geharmoniseerde Europese beproevings- en bepalingsmethoden zoals de Eurocodes, worden erkend voor de toetsing aan de voorschriften. Aan de lidstaten blijft wel het recht voorbehouden om het gewenste veiligheidsniveau zelf te bepalen. Dit betekent dat lidstaten zelf mogen bepalen welke fundamentele voorschriften relevant zijn voor bepaalde toepassingen. Ook mogen de fundamentele voorschriften per land worden gepreciseerd. De eisen aan bijvoorbeeld de brandweerstand van de structurele elementen mogen dus op nationaal niveau worden bepaald mits deze eisen zijn geformuleerd in termen die passen binnen het geharmoniseerde kader van de Europese beproevingsnormen en bepalingsmethoden.
Het fundamentele voorschrift “brandveiligheid” is uitgewerkt tot een vijftal nadere eisen:
- dat het draagvermogen van het bouwwerk gedurende een bepaalde tijd behouden blijft;
- dat het ontstaan en de ontwikkeling van vuur en rook binnen het bouwwerk zelf beperkt blijft;
- dat de uitbreiding van de brand naar belendende bouwwerken beperkt blijft;
- dat de bewoners het bouwwerk kunnen verlaten of anderszins in veiligheid kunnen worden gebracht;
- dat de veiligheid van de hulpploegen in acht wordt genomen.
Het behoud van het draagvermogen is voor staalconstructies de meest relevante eis. In het interpretatiedocument (Interpretative document No. 2 to the CPD, Safety in case of fire, Europese Commissie) bij het fundamentele voorschrift brandveiligheid is verder uitgelegd waarom er eisen aan het draagvermogen worden gesteld: De stabiliteit van de structurele elementen van een constructie is nodig:
- om de veiligheid aan de gebruikers te bieden gedurende de tijd dat zij verondersteld worden nog in het gebouw aanwezig te zijn;
- om de veiligheid van de hulpverleners en brandweer te verhogen;
- om ongevallen te voorkomen ten gevolge van bezwijken van het gebouw;
- om te zorgen dat de bouwproducten die een rol spelen in de brandveiligheid (zoals sprinklers) gedurende de benodigde tijd hun functie kunnen vervullen.
De gevraagde periode van brandweerstand hangt dus af van het doel van de wetgever. Het interpretatie document noemt een aantal voorbeelden:
- geen eis aan de brandweerstand waar de vuurbelasting is laag of waar de consequenties van bezwijken aanvaardbaar zijn;
- een brandweerstand gelijk aan een beperkte tijdsduur, welke overeenkomt met een veilige evacuatie van de gebruikers en de interventie van de brandweer;
- een brandweerstand gelijk aan de duur van de brand uitgaande dat alle brandbare materialen verbranden in het compartiment zonder te rekenen op een verkorting van de brandduur door ingrijpen van de brandweer.
Welke tijd het draagvermogen behouden moet blijven is dus niet gedefinieerd in de CPD. Dit wordt per lidstaat verder uitgewerkt.
Een uitzondering hierop vormen de hotels. Hiervoor heeft de Raad in 1986 een aanbeveling (Aanbeveling van de Europese Raad van 22 december 1986, Brandbeveiliging in bestaande hotels, 86/666/EEG) uitgebracht aan alle lidstaten van de EU om eisen te stellen aan de brandveiligheid van hotels met specifieke eisen aan de brandweerstand van de constructie.
2.2. Federale regelgeving
Op het niveau van de federale overheid is de Federale Overheid Dienst (FOD) Binnenlandse Zaken bevoegd om wetgeving te maken aangaande de veiligheid van algemene bouwconstructies, ongeacht de bestemming van het gebouw. De basis wordt gevormd door de wet op de preventie van brand en ontploffing uit 1979, licht gewijzigd in 1990 . In deze brandpreventiewet is het doel van de brandpreventie in artikel 1 vastgelegd:
De brandpreventie omvat al de veiligheidsmaatregelen die tot doel hebben:
- het ontstaan van een brand te voorkomen,
- elk begin van brand op te sporen
- de uitbreiding ervan te verhinderen,
- de hulpdiensten te alarmeren
- de redding van de personen te vergemakkelijken
- de bescherming van de goederen in geval van brand te vergemakkelijken.
Tevens is in deze wet vastgelegd dat er een Hoge Raad (HR) voor beveiliging tegen brand en ontploffing moet komen welke bij KB in 1981 is ingesteld. De werkwijze en samenstelling van de HR is sindsdien regelmatig aangepast. De HR moet alle nieuwe brandpreventie maatregelen voorstellen en de minister advies geven over ieder ontwerpbesluit.
Om dit doel te bereiken zijn eisen gesteld aan de gebouwen in het KB van 1994. Dit KB is ook van toepassing op nieuwe uitbreidingen van bestaande gebouwen. Industriegebouwen en eengezinswoningen zijn expliciet uitgesloten van dit Koninklijk Besluit sinds de wijziging van het KB in 1996. Het KB kent 5 bijlagen welke ook wel de basisnormen worden genoemd. Anders dan het woord norm doet vermoeden bevatten de basisnormen wettelijk gestelde eisen. De bijlagen zijn in 1997 vervangen en in 2003 zijn de bijlagen van 1997 beperkt aangepast. De 5 bijlagen zijn:
- Bijlage 1: Terminologie. Definities worden gegeven welke voor alle bijlagen geldig zijn
- Bijlage 2: Lage gebouwen. Dit zijn gebouwen lager dan 10 m hoog
- Bijlage 3: Middelhoge gebouwen. Dit zijn gebouwen van 10-25 m hoog
- Bijlage 4: Hoge gebouwen. Dit zijn gebouwen hoger dan 25 m.
- Bijlage 5: Reactie van materialen bij brand
De hoogte van het gebouw bepaalt dus welke bijlage van toepassing is. De hoogte wordt in bijlage 1 gedefinieerd als de verticale afstand tussen de hoogste bouwlaag en het laagste peil van de door de brandweerwagens bruikbare wegen omheen het gebouw, zie figuur hieronder.

Aanduiding van de hoogte van het gebouw h, het laagste voor brandweerauto’s toegankelijke evacuatieniveau Ei en het hoogste evacuatieniveau Es. Indien de ruimte A uitsluitend bedoeld is als een technisch lokaal of een niet ingerichte zolder is hoeft deze bouwlaag niet meegerekend te worden in de bepaling van de gebouwhoogte h. De eisen aan brandwerendheid zijn verschillend voor de structurele elementen van het dak (1), van de bouwlagen boven Ei (2) en van de bouwlagen onder Ei (3).
In juni 2007 is de definitie van de brandweerstand aangepast aan de beschikkingen van de EU ter uitvoering van de CPD. Met deze wijziging is de term brandweerstand vervangen door de term brandwerendheid. Dit is het gevolg van de overeenkomst met Nederland om in beide landen uniforme woorden te gebruiken voor dezelfde begrippen. In het vervolg van dit artikel wordt daarom de term brandwerendheid gebruikt indien het betrekking heeft op de basisnormen. In de andere gevallen is de term brandweerstand nog gebruikt.
Daarnaast heeft de HR in januari 2007 een nieuwe ontwerptekst voor bijlage 6 (Bijlage 6 tot het koninklijk besluit van XXXX tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen) goedgekeurd die uitstuitend betrekking heeft op industriegebouwen. In deze nieuwe bijlage worden in actieve maatregelen beter gevaloriseerd dan in de oude concepttekst van 1997 die nooit is omgewerkt tot een KB. In de nieuwe bijlage 6 ligt de nadruk meer op het voorkomen van het ontstaan van brand en het vroegtijdig ingrijpen. Hoewel de nieuwe basisnorm nog in afwachting is van de administratieve procedure om definitief te worden bekrachtigd bij KB, wordt deze nieuwe bijlage 6 al veelvuldig toegepast in de praktijk. Er is dan ook hard aan de tekst gewerkt door de experts van de brandweer, de overheid en de industrie om op basis van een wetenschappelijke benadering gezamenlijk een optimum te vinden van zowel veiligheid en economie.
Naast de basisnormen heeft de FOD Binnenlandse Zaken ook brandveiligheidseisen gesteld aan voetbalstadions . Bovendien is recent een besluit uitgebracht over de brandveiligheid van gesloten parkeergarages. Hierin is een nieuwe definitie opgenomen van het begrip “open parkeergarage”, welke op termijn de bestaande definitie in de basisnormen zal vervangen.
Ook de FOD Tewerkstelling en Arbeid heeft wetgeving gemaakt aangaande de brandveiligheid van gebouwen. In 1996 is de wet op het welzijn op het werk aangenomen.
Vooralsnog wijst deze wet het Algemeen Reglement voor Arbeidsbescherming [ARAB] aan om de veiligheid van de werknemers te waarborgen. Dit reglement stamt nog uit 1946 maar is sindsdien regelmatig aangepast. In artikel 52 van het ARAB worden eisen gesteld aan de werkgever om de brandveiligheid van de gebouwen waar werknemers te werk worden gesteld te garanderen. Kort na de brand in de INNO werd op 10 mei 1968 dit artikel 52 gewijzigd. De doelstellingen van de maatregelen in het ARAB zijn - in iets andere bewoordingen - dezelfde als de die van de wet uit 1979 (zie hierboven) behalve dat de bescherming van goederen geen expliciet doel is. Opgemerkt wordt dat ook in de uitwerking van het fundamentele voorschrift in het interpretatiedocument bij de Europese CPD geen sprake is van een doelstelling om goederen te beschermen.
Voor staalconstructies is het ARAB 52 van belang omdat sinds deze wijziging eisen worden gesteld aan de brandweerstand van de bouwelementen. Lokalen worden in 3 klassen ingedeeld, afhankelijk van het brandgevaar:
- Lokalen van de eerste groep, met het hoogste brandrisico:
- Lokalen waarin een zekere hoeveelheid licht ontvlambare stoffen worden opgeslagen. De minimale hoeveelheid hangt af van de ontvlambaarheid.
- Winkels met een oppervlak groter dan 2000 m2, inclusief hun opslagruimte . - Lokalen van de tweede groep, met een minder hoog brandrisico:
- Lokalen waarin ook ontvlambare stoffen worden opgeslagen of aangewend maar in kleinere hoeveelheden dan voor de eerste groep of de materialen zijn in mindere mate ontvlambaar. - Lokalen van de derde groep, met het laagste brandrisico, zijn de overige lokalen.
Daarnaast wijst de wet op het welzijn op het werk uit 1996 een serie aan KB’s aan die de Codex over het welzijn op het werk worden genoemd. Voor de eisen aan de brandweerstand van de constructie wordt in de Codex voornamelijk verwezen naar het ARAB. Het is de bedoeling dat het ARAB op termijn door een KB in de Codex wordt vervangen.
De FOD Volksgezondheid heeft in 1963 specifieke wetgeving op het gebied van ziekenhuizen uitgevaardigd, die daarna regelmatig is aangepast. In 1987 is deze wet gecoördineerd tot een nieuwe tekst die alle wijzigingen bevat. In 1979 is op basis van deze wet een KB uitgevaardigd met regels voor de beveiliging tegen brand en paniek in ziekenhuizen. Ook deze voorschriften bevatten beknopte eisen aan de brandweerstand van structurele elementen, die specifiek gelden voor ziekenhuizen.
Tot slot brengt het NBN normen uit met brandveiligheidsvoorschriften voor specifieke gebouwen, die dateren van voor de basisnormen:
| NBN S21-201: | Brandbeveiliging in de gebouwen – Terminologie |
| NBN S21-202: | Brandbeveiliging in de gebouwen – Hoge en middelhoge gebouwen – Algemene eisen (met erratum: 1984) |
| NBN S21-203: | 1980 Brandbeveiliging in de gebouwen – Reactie bij brand van de materialen – Hoge en middelhoge gebouwen |
| NBN S21-204: | 1982 Brandbeveiliging van de gebouwen – Schoolgebouwen – Algemene eisen en reactie bij brand |
| NBN S21-205: | 1992 Brandbeveiliging van de gebouwen – Hotels en gelijkaardige inrichtingen - Algemene eisen |
Op zich is het naleven van een norm niet verplicht. Een NBN norm geeft slechts de regels van goed vakmanschap weer Een norm wordt wel verplicht indien dit door afdwingbare regelgeving zo wordt voorgeschreven. Bovenstaande normen uit de S21 serie zijn niet aangewezen door een bindende regelgeving en bovendien grotendeels vervangen door de basisnormen. Maar het deel voor scholen en voor hotels worden soms als door ontwerpers of de brandweer als aanvulling op de basisnormen gebruikt.
2.3. Regelgeving van de gewesten en gemeenschappen
Het Vlaams, Waals en Brussels hoofdstedelijk gewest zijn in hoofdzaak bevoegd voor territoriale aangelegenheden zoals ruimtelijke ordening en milieu. Zo geldt in Vlaanderen het Vlarem, waarin voor enkele bijzondere inrichtingen aanvullende brandeisen aan de constructie worden gesteld. In Wallonië zijn vergelijkbare decreten uitgevaardigd voor bijvoorbeeld de opslagplaatsen van LPG.
De Vlaamse, Franse en Duitstalige gemeenschappen zijn volgens de grondwet bevoegd regelgeving uit te vaardigen voor persoonsgebonden aangelegenheden, dus bijvoorbeeld over de veiligheid van personen in gebouwen met een specifieke bestemming. In Brussel mogen de inwoners niet verplicht worden een keuze te maken tussen één van beide gemeenschappen om in aanmerking te komen voor de diensten van deze gemeenschap. Daarom houden de decreten van de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap in Brussel geen verband met personen, maar alleen met de instellingen die, gezien de werkzaamheden of inrichting, kunnen worden beschouwd als uitsluitend behorend tot één van beide gemeenschappen. Dit zijn zowel privaatrechtelijke instellingen (VZW's e.d.) als overheidsdiensten die zich bezighouden met gemeenschapsaangelegenheden. Deze gemeenschappelijke zaken worden in Brussel behartigd door de Franse (COCOF), Vlaamse (VGC) en gemeenschappelijke gemeenschapscommissie (GGC). De GGC is niet alleen bevoegd regelgeving in het Brussels hoofdstedelijk gewest op te stellen voor gemeenschapsaangelegenheden in verband met instellingen maar ook in verband met personen.
De Vlaamse regering vertegenwoordigt zowel het Vlaams gewest als de Vlaamse gemeenschap. Het Waals gewest en de COCOF hebben op een aantal terreinen dezelfde wetgevende bevoegdheden gekregen als de Franse gemeenschap.
Voor woningen is er geen aanvullende regelgeving voor de structurele elementen. In alle gewesten is wel regelgeving voor rookmelders in woningen gemaakt. In Vlaanderen worden rookmelders gesubsidieerd, in Wallonië zijn ze verplicht en in Brussel zijn ze alleen verplicht in verhuurde woningen.
Voor rusthuizen voor bejaarden is er in alle regio’s aanvullende regelgeving opgenomen. De Vlaamse en Franse gemeenschap en verwijzen direct naar de veiligheidsnormen bij het KB over rusthuizen van 1974. Dit KB is hiermee van toepassing in Vlaanderen en Brussel. Het Waalse gewest heeft gebruik makend van de bevoegdheid van de Franse Gemeenschap om over deze persoonsgebonden aangelegenheid te beslissen, dit besluit opgeheven en in plaats daarvan een bijlage opgenomen bij een besluit rond de veiligheidnormen voor rustoorden. Voor de brandweerstand zijn er geen veranderingen t.o.v. het KB van 1974. Ook Duitstalige gemeenschap heeft haar regelgeving op dit oude KB gebaseerd. De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie heeft een besluit genomen rond de veiligheid van rustoorden zonder aanvullende brandeisen te stellen.
Voor logiesverstrekkende gebouwen hebben de Vlaamse regering , en de Franse en Duitstalige gemeenschap min of meer identieke aanvullende eisen gesteld ten opzichte van de basisnormen aan de compartimentsgrootte en de brandweerstand van de structurele elementen. Net als voor rusthuizen heeft het Waalse gewest de voorschriften voor logiesgebouwen voor Wallonië opgeheven. Ze verwijst slechts nog naar de basisnormen. Het besluit van de Franse gemeenschap is dus alleen nog geldig in Brussel.
De Vlaamse regering heeft verder nog aanvullende regelgeving voor minicrèches , kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang .
2.4. Gemeentelijke eisen
De gemeenteraad mag aanvullende verordeningen uitvaardigen voor brandpreventie. Het voert te ver om hier de gemeentelijke voorschriften verder te behandelen omdat elke gemeente haar eigen verordeningen kan stellen.
inhoud - hoofdstuk1 - hoofdstuk2 - hoofdstuk3 - hoofdstuk4 - hoofdstuk5 - hoofdstuk6 - referenties
