Open alles | Sluit alles

Rekentools

Brandveiligheid

3. Toepasselijke eisen voor bouwwerken

3.1. Algemeen

Conform de Europese richtlijnen ter zake hebben de brandveiligheidseisen in de reglementering de volgende doelstellingen:

Om tegemoet te komen aan die doelstellingen bevatten de verschillende reglementeringen eisen met betrekking tot:

Wat stalen bouwelementen betreft, moet rekening worden gehouden met twee essentiële aspecten:

Wanneer op een bouwelement verschillende eisen van toepassing zijn (afkomstig van verschillende reglementen), moet worden voldaan aan de strengste eis.

3.2. Reactie bij brand

De reactie bij brand wordt gedefinieerd als het geheel van de eigenschappen van een bouwmateriaal met betrekking tot zijn invloed op het ontstaan en op de ontwikkeling van een brand. De reactie bij brand karakteriseert dus het vermogen van materialen om te ontvlammen en om een brand te verspreiden.

De prestaties inzake reactie bij brand kunnen niet rekenkundig worden geëvalueerd.

Momenteel worden de meeste Belgische reglementaire voorschriften uitgedrukt aan de hand van het classificatiesysteem dat in bijlage 5 van de Basisnormen wordt beschreven. Dit 'Belgische' classificatiesysteem omvat vijf klassen: A0, A1, A2, A3 en A4. Klasse A0 wordt gebruikt voor 'niet-brandbare' materialen. Er moet op worden gewezen dat de 'Belgische' klassen A1 en A2 losstaan van de 'Europese' klassen A1 en A2 die hierna worden besproken.

Op dit ogenblik wordt bij de FOD Binnenlandse Zaken gewerkt aan een gewijzigde tekst voor bijlage 5, die binnenkort zou moeten verschijnen. Het huidige ontwerp wijzigt zowel het niveau van de eisen als het classificatiesysteem dat wordt gebruikt om deze eisen uit te drukken (classificatiesysteem volgens EN 13501-1).

Staal is een 'niet-brandbaar' materiaal en valt in beide classificatiesystemen (het 'Belgische' en het 'Europese' systeem) in de hoogste klasse, nl. A0 volgens bijlage 5 van de Basisnormen en A1 volgens EN 13501-1.

De classificatie van de reactie bij brand is gebaseerd op het gedrag van materialen in referentiescenario's:

De brandreactieklassen gaan van klasse A1 (de best presterende materialen) tot klasse F (de slechtst presterende materialen). Klasse F wordt ook standaard toegekend als geen enkele proef is uitgevoerd.

Als het om een vloerbedekking gaat, wordt aan de klasse de index 'FL' ('floor') toegevoegd. Zo bestaan bijv. de klassen A2FL, CFL …

Bovendien zijn 'subklassen' gecreëerd om bepaalde brandreactieaspecten van de materialen van klasse A2 tot D te preciseren (niet van toepassing op klasse A1, E en F):

Overzicht van de verschillende brandreactieklassen:

Klasse A1 Materialen die niet bijdragen tot de brand (noch vóór noch na de vlamoverslag).
Klasse A2 Materialen die niet beduidend bijdragen tot de brand (noch vóór noch na de vlamoverslag).
Klasse B Materialen die niet bijdragen tot de brand vóór de vlamoverslag maar wel erna.
Klasse C Materialen die kunnen bijdragen tot de brand vóór de vlamoverslag na meer dan 10 minuten bij een lokale brand.
Klasse D Materialen die kunnen bijdragen tot de brand vóór de vlamoverslag in de periode tussen 2 en 10 minuten bij een lokale brand.
Klasse E Materialen die kunnen bijdragen aan de brand vóór de vlamoverslag in de eerste 2 minuten bij een lokale brand.

De classificatie van de reactie bij brand wordt opgesteld op basis van de volgende genormaliseerde proeven:

Brandreactieklasse

A1

A2

B

C

D

E

F

EN ISO 1182
Niet-brandbaarheidsoven

X

X(b)

 

 

 

 

 

EN ISO 1716
Bomcalorimeter

X

X(b)

X

X

X

 

 

Voor de bekleding van verticale wanden en plafond: EN 13823
Eén brandend voorwerp (SBI = 'single burning item')
Voor vloerbedekkingen: EN ISO 9239-1

X(a)

X

X

X

X

 

 

EN ISO 11925-2
Kleine-vlamproef

 

 

 

 

 

X

 

3.3. Brandwerendheid

De brandwerendheid wordt in het KB van 13 juni 2007 gedefinieerd als "het vermogen van een bouwelement om gedurende een bepaalde tijdsduur te voldoen aan de voor de standaardproef voor de brandwerendheid gespecificeerde criteria ten aanzien van de dragende functie, de vlamdichtheid en/of thermische isolatie". Deze drie criteria komen respectievelijk overeen met de symbolen R, E en I van het Europese classificatiesysteem.

Overzicht van de essentiële criteria van brandwerendheid:

brandwerendheid essentiële criteria

Volgens beschikking 2000/367/EG van de Europese Commissie omvat het begrip 'brandwerendheid' nog andere criteria. Zo bestaan er criteria voor straling (W), rookdoorlatendheid (S), weerstand tegen roetontbranding (G)…

Deze bijkomende criteria worden echter niet gebruikt in het huidige Belgische prescriptieve systeem.
Van de drie essentiële criteria 'R', 'E' en 'I' kan alleen het criterium van het draagvermogen, als alternatief voor proeven, worden geëvalueerd door berekening op basis van de eurocodes.

De prestaties inzake brandwerendheid worden uitgedrukt door vermelding van de criteria, gevolgd door de duur (in minuten) tijdens welke aan deze criteria wordt voldaan. Zo kan er sprake zijn van E60I30 of REI120. In België worden in de reglementering hoofdzakelijk eisen gehanteerd gebaseerd op een duur van 30, 60 en 120 minuten.

Worden gebruikt:

Momenteel worden de meeste Belgische reglementaire voorschriften inzake brandwerendheid uitgedrukt aan de hand van het classificatiesysteem dat wordt beschreven in norm NBN 713-020 :1968. Het in dit classificatiesysteem gebruikte symbool is 'Rf', gevolgd door de duur uitgedrukt in uren: Rf ½ h, Rf 1 h of Rf 2 h.

De proef die in norm NBN 713-020 wordt beschreven verschilt licht van de proef op basis waarvan de classificatie volgens normen EN 13501-2 of EN 13501-3 wordt verkregen. Elke proef is gebaseerd op de tijd-temperatuurcurve ISO 834, maar als gevolg van verschillen op het vlak van de installatie en de regeling van de proeven kunnen de verkregen resultaten beduidend van elkaar verschillen.

Hierna zullen de eisen inzake draagvermogen en inzake compartimentering afzonderlijk worden behandeld.

3.4. Eisen inzake draagvermogen

De voornaamste eisen inzake draagvermogen worden hoofdzakelijk bepaald in twee prescriptieve teksten:

Op het vlak van draagvermogen bestaan nog andere eisen hetzij voor specifieke categorieën van gebouwen (ziekenhuizen, rusthuizen …), hetzij afhankelijk van de plaats van het gebouw (gemeentelijke verordeningen). Er moet altijd worden nagegaan of andere reglementeringen van toepassing zijn en – in voorkomend geval – of die voorschriften strenger zijn dan die in de Basisnormen en/of het ARAB.

Voor beide behandelde reglementeringen wordt een overzicht gegeven van:

Basisnormen

Toepassingsgebied van de Basisnormen

Betrokken bouwelementen

De eisen inzake draagvermogen in de Basisnormen zijn van toepassing op structurele elementen, die als volgt worden gedefinieerd:

"De bouwelementen die de stabiliteit van het geheel of van een gedeelte van het gebouw verzekeren, zoals kolommen, dragende wanden, hoofdbalken, afgewerkte vloeren en andere essentiële delen die het geraamte of skelet van het gebouw vormen, en die bij bezwijken aanleiding geven tot voortschrijdende instorting. Voortschrijdende instorting treedt op indien het bezwijken van een constructieonderdeel aanleiding geeft tot bezwijken van onderdelen van het gebouw die zich niet bevinden in de onmiddellijke omgeving van het beschouwde onderdeel en indien de draagkracht van het overblijvende bouwwerk onvoldoende is om de optredende belasting te dragen. De structurele elementen worden als volgt ingedeeld:
1° structurele elementen type I: elementen die bij bezwijken aanleiding geven tot een voortschrijdende instorting die zich kan uitstrekken over de compartimentgrenzen heen of die aanleiding geeft tot de beschadiging van de compartimentwanden;
2° structurele elementen type II: elementen die bij bezwijken aanleiding geven tot een voortschrijdende instorting, maar niet over de compartimentgrenzen heen."

Het onderscheid dat hier wordt gemaakt tussen structurele elementen van type I en type II wordt alleen gebruikt voor industriegebouwen. Bijlage 6 van de Basisnormen (industriegebouwen) is namelijk strenger voor structurele elementen van type I dan voor die van type II.

Voor niet-structurele dragende elementen bestaan er geen eisen inzake draagvermogen, uitgezonderd voor tussenvloeren van industriegebouwen (ongeacht of deze vloeren al dan niet beantwoorden aan de definitie van structurele elementen).

Eisen inzake draagvermogen in de Basisnormen

Overzicht van de eisen inzake draagvermogen in de Basisnormen:

Basisnormen eisen draagvermogen


elementen type 2
Vergroot deze tabel

ARAB artikel 52

Toepassingsgebied van het ARAB

Het ARAB is van toepassing op alle gebouwen waarin personeel wordt tewerkgesteld.
De eisen zijn echter strenger voor gebouwen waarvan de bouw na 1 juni 1972 werd gestart.

Betrokken bouwelementen

De eisen hebben betrekking op de 'dragende elementen', die door de volgende opsomming worden gedefinieerd: dragende muren en dragende vloeren, kolommen en balken van het geraamte.

Eisen inzake draagvermogen in het ARAB

Overzicht van de eisen inzake draagvermogen in artikel 52 van het ARAB:

ARAB tewerkstelling

Deze tabel betreft gebouwen waarvan de bouw na 1 juni 1972 werd gestart. Wat oudere gebouwen betreft zijn er voor onbrandbare bouwmaterialen zoals staal geen eisen inzake draagvermogen.

 

inhoud - hoofdstuk1 - hoofdstuk2 - hoofdstuk3 - hoofdstuk4 - hoofdstuk5 - hoofdstuk6 - referenties