Brandveiligheid
3. Toepasselijke eisen voor bouwwerken
3.1. Algemeen
Conform de Europese richtlijnen ter zake hebben de brandveiligheidseisen in de reglementering de volgende doelstellingen:
- het draagvermogen van constructies tijdens een bepaalde brandduur garanderen
- de productie en de verspreiding van vlammen en rook beperken
- het risico op uitbreiding van de brand naar naburige constructies beperken
- de aanwezigen de kans geven om het gebouw te ontruimen of geholpen te worden
- rekening houden met de veiligheid van de interventieploegen.
Om tegemoet te komen aan die doelstellingen bevatten de verschillende reglementeringen eisen met betrekking tot:
- de stabiliteit bij brand
- de reactie van de bouwmaterialen bij brand
- de compartimentering
- de verplichte afstand tot naburige gebouwen
- de prestaties van de buitenwanden
- de actieve-beveiligingsmiddelen (detectie, alarmmelding, sprinklers, rookafvoer...)
- de eerste-interventiemiddelen (blussers, haspels)
- de evacuatiemiddelen (dimensionering, aantal)
- de bereikbaarheid voor de brandweer ...
Wat stalen bouwelementen betreft, moet rekening worden gehouden met twee essentiële aspecten:
- de reactie bij brand
- het draagvermogen bij brand.
Wanneer op een bouwelement verschillende eisen van toepassing zijn (afkomstig van verschillende reglementen), moet worden voldaan aan de strengste eis.
3.2. Reactie bij brand
De reactie bij brand wordt gedefinieerd als het geheel van de eigenschappen van een bouwmateriaal met betrekking tot zijn invloed op het ontstaan en op de ontwikkeling van een brand. De reactie bij brand karakteriseert dus het vermogen van materialen om te ontvlammen en om een brand te verspreiden.
De prestaties inzake reactie bij brand kunnen niet rekenkundig worden geëvalueerd.
Momenteel worden de meeste Belgische reglementaire voorschriften uitgedrukt aan de hand van het classificatiesysteem dat in bijlage 5 van de Basisnormen wordt beschreven. Dit 'Belgische' classificatiesysteem omvat vijf klassen: A0, A1, A2, A3 en A4. Klasse A0 wordt gebruikt voor 'niet-brandbare' materialen. Er moet op worden gewezen dat de 'Belgische' klassen A1 en A2 losstaan van de 'Europese' klassen A1 en A2 die hierna worden besproken.
Op dit ogenblik wordt bij de FOD Binnenlandse Zaken gewerkt aan een gewijzigde tekst voor bijlage 5, die binnenkort zou moeten verschijnen. Het huidige ontwerp wijzigt zowel het niveau van de eisen als het classificatiesysteem dat wordt gebruikt om deze eisen uit te drukken (classificatiesysteem volgens EN 13501-1).
Staal is een 'niet-brandbaar' materiaal en valt in beide classificatiesystemen (het 'Belgische' en het 'Europese' systeem) in de hoogste klasse, nl. A0 volgens bijlage 5 van de Basisnormen en A1 volgens EN 13501-1.
De classificatie van de reactie bij brand is gebaseerd op het gedrag van materialen in referentiescenario's:
- Wat de bekleding van verticale wanden en plafonds betreft wordt geëvalueerd wat de bijdrage van een bekledingsmateriaal aan de brand is wanneer een voorwerp brandt in de hoek van een klein lokaal ('room corner'-scenario).
- Wat vloerbedekking betreft, wordt het gedrag geëvalueerd van een vloerbedekking die wordt onderworpen aan een brand in een aangrenzende ruimte met een open deur die uitkomt op de gang ('room corridor'-scenario).
De brandreactieklassen gaan van klasse A1 (de best presterende materialen) tot klasse F (de slechtst presterende materialen). Klasse F wordt ook standaard toegekend als geen enkele proef is uitgevoerd.
Als het om een vloerbedekking gaat, wordt aan de klasse de index 'FL' ('floor') toegevoegd. Zo bestaan bijv. de klassen A2FL, CFL …
Bovendien zijn 'subklassen' gecreëerd om bepaalde brandreactieaspecten van de materialen van klasse A2 tot D te preciseren (niet van toepassing op klasse A1, E en F):
- de prestaties inzake de rookontwikkeling worden aangegeven met de index 's' ('smoke'): zo ontstaan subklassen s1, s2 en s3.
- de prestaties inzake de productie van brandende druppeltjes of deeltjes worden aangegeven met de index 'd' ('droplet'), wat aanleiding geeft tot subklassen d0, d1 en d2. Het spreekt voor zich dat deze prestaties niet worden geëvalueerd voor vloerbedekkingen.
Overzicht van de verschillende brandreactieklassen:
| Klasse A1 | Materialen die niet bijdragen tot de brand (noch vóór noch na de vlamoverslag). |
| Klasse A2 | Materialen die niet beduidend bijdragen tot de brand (noch vóór noch na de vlamoverslag). |
| Klasse B | Materialen die niet bijdragen tot de brand vóór de vlamoverslag maar wel erna. |
| Klasse C | Materialen die kunnen bijdragen tot de brand vóór de vlamoverslag na meer dan 10 minuten bij een lokale brand. |
| Klasse D | Materialen die kunnen bijdragen tot de brand vóór de vlamoverslag in de periode tussen 2 en 10 minuten bij een lokale brand. |
| Klasse E | Materialen die kunnen bijdragen aan de brand vóór de vlamoverslag in de eerste 2 minuten bij een lokale brand. |
De classificatie van de reactie bij brand wordt opgesteld op basis van de volgende genormaliseerde proeven:
| Brandreactieklasse | A1 |
A2 |
B |
C |
D |
E |
F |
EN ISO 1182 |
X |
X(b) |
|
|
|
|
|
EN ISO 1716 |
X |
X(b) |
X |
X |
X |
|
|
Voor de bekleding van verticale wanden en plafond: EN 13823 |
X(a) |
X |
X |
X |
X |
|
|
EN ISO 11925-2 |
|
|
|
|
|
X |
|
- (a) De SBI-proef hoeft slechts in bepaalde gevallen te worden uitgevoerd.
- (b) Hetzij volgens EN ISO 1182, hetzij volgens EN ISO 1716
3.3. Brandwerendheid
De brandwerendheid wordt in het KB van 13 juni 2007 gedefinieerd als "het vermogen van een bouwelement om gedurende een bepaalde tijdsduur te voldoen aan de voor de standaardproef voor de brandwerendheid gespecificeerde criteria ten aanzien van de dragende functie, de vlamdichtheid en/of thermische isolatie". Deze drie criteria komen respectievelijk overeen met de symbolen R, E en I van het Europese classificatiesysteem.
Overzicht van de essentiële criteria van brandwerendheid:

Volgens beschikking 2000/367/EG van de Europese Commissie omvat het begrip 'brandwerendheid' nog andere criteria. Zo bestaan er criteria voor straling (W), rookdoorlatendheid (S), weerstand tegen roetontbranding (G)…
Deze bijkomende criteria worden echter niet gebruikt in het huidige Belgische prescriptieve systeem.
Van de drie essentiële criteria 'R', 'E' en 'I' kan alleen het criterium van het draagvermogen, als alternatief voor proeven, worden geëvalueerd door berekening op basis van de eurocodes.
De prestaties inzake brandwerendheid worden uitgedrukt door vermelding van de criteria, gevolgd door de duur (in minuten) tijdens welke aan deze criteria wordt voldaan. Zo kan er sprake zijn van E60I30 of REI120. In België worden in de reglementering hoofdzakelijk eisen gehanteerd gebaseerd op een duur van 30, 60 en 120 minuten.
Worden gebruikt:
- de 'R'-klassen (R30, R60 en R120) voor dragende elementen zonder compartimenteringsfunctie
- de 'E'- en 'EI'-klassen voor niet-dragende elementen met compartimenteringsfunctie
- de 'RE'- en 'REI'-klassen voor dragende elementen met compartimenteringsfunctie (dragende muren, vloeren en daken).
Momenteel worden de meeste Belgische reglementaire voorschriften inzake brandwerendheid uitgedrukt aan de hand van het classificatiesysteem dat wordt beschreven in norm NBN 713-020 :1968. Het in dit classificatiesysteem gebruikte symbool is 'Rf', gevolgd door de duur uitgedrukt in uren: Rf ½ h, Rf 1 h of Rf 2 h.
De proef die in norm NBN 713-020 wordt beschreven verschilt licht van de proef op basis waarvan de classificatie volgens normen EN 13501-2 of EN 13501-3 wordt verkregen. Elke proef is gebaseerd op de tijd-temperatuurcurve ISO 834, maar als gevolg van verschillen op het vlak van de installatie en de regeling van de proeven kunnen de verkregen resultaten beduidend van elkaar verschillen.
Hierna zullen de eisen inzake draagvermogen en inzake compartimentering afzonderlijk worden behandeld.
3.4. Eisen inzake draagvermogen
De voornaamste eisen inzake draagvermogen worden hoofdzakelijk bepaald in twee prescriptieve teksten:
- de Basisnormen: het gaat om het KB van 7 juli 1994, gewijzigd door een reeks opeenvolgende KB's
- het ARAB: het gaat om het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming dat een bundeling is van een reeks KB's.
Op het vlak van draagvermogen bestaan nog andere eisen hetzij voor specifieke categorieën van gebouwen (ziekenhuizen, rusthuizen …), hetzij afhankelijk van de plaats van het gebouw (gemeentelijke verordeningen). Er moet altijd worden nagegaan of andere reglementeringen van toepassing zijn en – in voorkomend geval – of die voorschriften strenger zijn dan die in de Basisnormen en/of het ARAB.
Voor beide behandelde reglementeringen wordt een overzicht gegeven van:
- het toepassingsgebied van de reglementering
- de definitie van de betrokken bouwelementen
- de eigenlijke eisen inzake draagvermogen.
Basisnormen
Toepassingsgebied van de Basisnormen
- Afhankelijk van de datum:
- lage gebouwen: stedenbouwkundige vergunning niet ingediend vóór 1 januari 1998
- middelhoge gebouwen: stedenbouwkundige vergunning niet ingediend vóór 26 mei 1995
- hoge gebouwen: stedenbouwkundige vergunning niet ingediend vóór 26 mei 1995.
- Afhankelijk van de aard van de werkzaamheden:
- nieuwe gebouwen: alle
- uitbreiding van bestaande gebouwen: alle
- structurele renovatie: alleen voor gebouwen waarvan de stedenbouwkundige vergunning vóór 5 mei 2003 werd ingediend.
- Afhankelijk van het type gebouw:
- alle gebouwen, uitgezonderd:
- gebouwen van minder dan 100 m² over maximaal twee niveaus
- eengezinswoningen
- industriegebouwen waarvan de stedenbouwkundige vergunning uiterlijk op 14 augustus 2009 werd ingediend.
Betrokken bouwelementen
De eisen inzake draagvermogen in de Basisnormen zijn van toepassing op structurele elementen, die als volgt worden gedefinieerd:
"De bouwelementen die de stabiliteit van het geheel of van een gedeelte van het gebouw verzekeren, zoals kolommen, dragende wanden, hoofdbalken, afgewerkte vloeren en andere essentiële delen die het geraamte of skelet van het gebouw vormen, en die bij bezwijken aanleiding geven tot voortschrijdende instorting. Voortschrijdende instorting treedt op indien het bezwijken van een constructieonderdeel aanleiding geeft tot bezwijken van onderdelen van het gebouw die zich niet bevinden in de onmiddellijke omgeving van het beschouwde onderdeel en indien de draagkracht van het overblijvende bouwwerk onvoldoende is om de optredende belasting te dragen. De structurele elementen worden als volgt ingedeeld:
1° structurele elementen type I: elementen die bij bezwijken aanleiding geven tot een voortschrijdende instorting die zich kan uitstrekken over de compartimentgrenzen heen of die aanleiding geeft tot de beschadiging van de compartimentwanden;
2° structurele elementen type II: elementen die bij bezwijken aanleiding geven tot een voortschrijdende instorting, maar niet over de compartimentgrenzen heen."
Het onderscheid dat hier wordt gemaakt tussen structurele elementen van type I en type II wordt alleen gebruikt voor industriegebouwen. Bijlage 6 van de Basisnormen (industriegebouwen) is namelijk strenger voor structurele elementen van type I dan voor die van type II.
Voor niet-structurele dragende elementen bestaan er geen eisen inzake draagvermogen, uitgezonderd voor tussenvloeren van industriegebouwen (ongeacht of deze vloeren al dan niet beantwoorden aan de definitie van structurele elementen).
Eisen inzake draagvermogen in de Basisnormen
Overzicht van de eisen inzake draagvermogen in de Basisnormen:
ARAB artikel 52
Toepassingsgebied van het ARAB
Het ARAB is van toepassing op alle gebouwen waarin personeel wordt tewerkgesteld.
De eisen zijn echter strenger voor gebouwen waarvan de bouw na 1 juni 1972 werd gestart.
Betrokken bouwelementen
De eisen hebben betrekking op de 'dragende elementen', die door de volgende opsomming worden gedefinieerd: dragende muren en dragende vloeren, kolommen en balken van het geraamte.
Eisen inzake draagvermogen in het ARAB
Overzicht van de eisen inzake draagvermogen in artikel 52 van het ARAB:

Deze tabel betreft gebouwen waarvan de bouw na 1 juni 1972 werd gestart. Wat oudere gebouwen betreft zijn er voor onbrandbare bouwmaterialen zoals staal geen eisen inzake draagvermogen.
inhoud - hoofdstuk1 - hoofdstuk2 - hoofdstuk3 - hoofdstuk4 - hoofdstuk5 - hoofdstuk6 - referenties




















